DNS is het systeem dat domeinnamen vertaalt naar IP-adressen. Het zorgt ervoor dat je een begrijpelijke naam in je browser typt, terwijl de computer op de achtergrond zoekt naar het numerieke adres van de server waar de website op staat.
Hoe het werkt
- Je typt een domeinnaam in je browser. De computer kijkt eerst in het eigen geheugen of hij het IP-adres al kent.
- Als dat niet zo is, stuurt hij een vraag naar een DNS-server van je internetprovider.
- Deze server zoekt in zijn eigen lijst, maar weet het antwoord vaak niet direct. Hij vraagt het dan aan root-servers die weten welke server verantwoordelijk is voor de extensie .nl.
- De root-server wijst hem door naar de juiste namen-server van de domeinbeheerder.
- Daar wordt het definitieve IP-adres opgezocht en teruggestuurd naar je browser.
- Je browser maakt verbinding met dat adres en laadt de website.
Belangrijke begrippen
- A-record: De meest voorkomende instelling die een domeinnaam direct koppelt aan een IPv4-adres.
- CNAME: Een alias die één domeinnaam naar een andere domeinnaam verwijst, in plaats van naar een IP-adres.
- MX-record: De instelling die bepaalt naar welke server e-mailberichten moeten worden gestuurd.
- TXT-record: Een tekstveld dat vaak wordt gebruikt voor verificaties van diensten of beveiligingsinstellingen voor e-mail.
- TTL (Time To Live): De tijd in seconden dat een server de DNS-informatie mag onthouden voordat hij opnieuw moet opvragen.


